EIRENE-vrijwilligers in Roemenië
Sarah Achilles (Diakonia Fagaras, Fagaras, 2005)
Sarah blikt eerst even terug naar hoe het begon:Dan vertelt Sarah over haar werk en de omgeving:
Uit het tweede bericht van Sarah, van maart 2005, komt naar voren dat haar arbeid zich heeft verplaatst naar de recent in gebruik genomen grote keuken:
Jakob Fittkau
(FOC, Bukarest, 2005)

„’Fundatia Familia si
Ocrotirea Copilului’
(FOC) betekent zoveel als ‘Organisatie tot bescherming van
gezin en kind. De
organisatie werkt met gezinnen uit Ferentari, een probleemwijk van
Boekarest en
bestaat uit 10 medewerkers waaronder sociaal werkers, psychologen,
pedagogen en
secretaresses.
De ouders staan in nauw contact met de sociaal
werkers van FOC waar zij zich met bijna al hun problemen
terechtkunnen. Om de ouders regelmatig aanvullende hulp aan
te bieden wordt iedere maandag een ‘ouderdag’
georganiseerd waar praktische- en
opvoedingsproblemen besproken worden. Veel ouders zijn werkloos of
hebben een
klein baantje, zijn perspectief- en motivatieloos, hebben een passieve
uitstraling en niet de moed iets aan hun slechte situatie te doen. Zij
kunnen
zo hun kinderen ook niet het goede voorbeeld geven.
De tweede grote deeltaak is het werk met de
kinderen. Het Roemeense schoolsysteem zit zo in elkaar dat een kind de
klassen
van de achtjarige basisschool kan doorlopen zonder noemenswaardige
kennis op te
doen. Veel kinderen zitten er letterlijk hun tijd uit en verlaten
tenslotte de
school zonder enige geestelijke bagage van betekenis.
Om de gezinsachtergronden van de kinderen helder te krijgen en een beter beeld van hun situatie, bezoekt een medewerker van FOC de gezinnen thuis. Ik kon meegaan en zo heb ik enige kennis over het leven in Ferentari opgedaan. Ferentari ligt ten zuidwesten van Boekarest en is een broeinest van drugshandel en criminaliteit. Hier wonen de armste bevolkingsgroepen waarvan ongeveer de helft Roma’s, en het betreft een groot aantal mensen. Overal in Ferentari staan de beruchte verpauperde betonblokken met eenkamerwoningen. Het laatste en meest shockerende bezoek was aan de familie M. De weg erheen baant zich door het afval en de straathonden zijn hier nog talrijker dan elders. Vlak bij het woonblok trappen we op een injectiespuit. Voor het blok staan een aantal politieagenten die een hier ook aanwezige groep franse hulpverleners begeleidt. Via de achteringang bereiken we de eenkamerwoning waar de ouders met hun vijf kinderen en de broer van de vader wonen. Alle drie de volwassenen zijn werkloos, en daar de ouders slechts enkele jaren onderwijs hebben gevolgd kunnen zij hun kinderen niet helpen met hun huiswerk. Dat het voor de kinderen in deze omstandigheden moeilijk is zich op school te concentreren en schoolbezoek als belangrijk te beschouwen is begrijpelijk. Toch is het hun enige kans op een beter leven als dat van hun ouders."
Marleen Thürling (Ambulante Ouderenzorg, Sibiu, 2005)

‘Het geeft me nog steeds veel voldoening bij de mensen op bezoek te gaan, te merken dat dit werk zin heeft en dat ik hen in veel situaties helpen kan. De communicatie verloopt ook steeds beter en zo langzaam maar zeker kan ik hun doen en laten al aardig inschatten. Kort voor de kerstdagen is een aan mij toevertrouwde overleden. Voor die situatie had ik voor de dienst echt angst omdat ik niet wist in hoeverre ik daarmee kon omgaan. Ik was uiteraard bedroefd omdat zij een eenmalige en echte liefde aan mij schonk. Maar achteraf bezien moet ik zeggen dat het zo beter is. Ondertussen overlegden we of we haar thuis zouden opbaren. Het was echter de vraag of dat kon met minstens vier personen per kamer. Hier worden de doden nog drie dagen thuis opgebaard, dan vindt bijzetting op het kerkhof plaats en na zes weken is er nog eenmaal een kleine herdenking. Bij al die plechtigheden is er rijkelijk eten en drinken. In ieder geval wijn en speciaal brood voor iedere gast. Deze kleine ceremonie vindt normaal gesproken bij het graf plaats maar in de winter als het te koud is ook wel in de kerk. Tijdens de ceremonie is de kerk open en alle bezoekers kunnen deelnemen, ook als zij de gestorven persoon niet kenden.
Steeds vaker is mij in de afgelopen maanden duidelijk geworden met hoe weinig die oude mensen moeten rondkomen. De meeste van hen hebben niet eens 2 miljoen lei –ongeveer 50 euro- pensioen. Nu in de winter is het voor velen erg moeilijk zoals mevrouw P. die gasrekeningen moet betalen van 1,3 miljoen lei hoewel ze alleen ’s morgens en ’s avonds stookt. Op een namiddag stond ze treurig voor haar deur en vertelde dat ze zojuist in de supermarkt was beroofd van haar portemonnee met 50.000 lei. Daar wilde ze melk en boter van kopen. Op die momenten weet ik echt niet wat ik tegen die mensen moet zeggen omdat ik me niet kan inleven in hun situatie. …Ik moet uiterst zuinig leven wil ik eens een keer een grapefruit of een banaan kunnen kopen zonder daar kopzorgen over te hebben… Drie van hen krijgen van de kerk in de wintermaanden ondersteuning voor de hoge rekeningen. Ik moet er niet aan denken hoevelen die hulp niet krijgen.
Sinds 28 november 2004 heeft Roemenië een nieuwe president, Traian Basescu. Daarmee werd het jarenlange tijdperk van de oud-communistische partij PNL van president Iiiunescu beëindigd. Toen de uitslag vaststond was er bij de meeste vreugde en hoop op betere tijden. Basescu geldt als eerlijk, sociaal en niet corrupt. Sinds een maand echter praat er nauwelijks meer iemand positief over hem omdat bekend werd dat de prijzen van stroom, gas, telefoon en water met 30 procent zullen stijgen bij gelijkblijvende salarissen en pensioenen.
Na de kerst heb ik mezelf drie dagen vakantie gegund met de andere ‘EIRENES’. We hebben tijdens oud en nieuw in een klein dorp een onderkomen gezocht. In veel dorpen rondom Sibiu zijn er oude kerkgebouwen en pastoorswoningen uit de Saksische tijd. In de voormalige pastoorswoningen kan je goedkoop en comfortabel overnachten. Alles was heel rustig en zeer dorps. Mooi was ook dat we van de boeren in de omtrek alles konden kopen. We hadden goed spek en drie liter verse koemelk.
Bigi Ruch (Philothea Club, Tagu Mures, 2003)

“De Philothea Club is een ontmoetingsplaats voor
kinderen,
jongeren, studenten en volwassenen. We zijn iedere dag vanaf twee uur
geopend en men krijgt thee en koffie, kan lezen, praten of naar muziek
luisteren. We hebben een kleine bibliotheek met Hongaarse, Engelse en
Duitse boeken die men kan lezen maar ook gewoon doorbladeren. We
verkopen ook boeken en kaarten. Echt interessant hier is de
spraakverwarring. Toen ik hier aankwam klonk het van alle kanten dat ik
er goed aan zou doen Hongaars te leren. Maar Roemeens moest ik in elk
geval ook onder de knie krijgen. Het is zo dat in mijn project iedereen
Hongaars spreekt. Alleen op de markt, in winkels, in de trein en het
theater wordt Roemeens gesproken. Wat me in het begin erg heeft
geholpen is dat je hier ook wel met Engels en Duits terecht kan. Mijn
probleem is dat ik nu een taalchaos in mijn hoofd heb. Waar spreek ik
wat? Maar dat zal de tijd wel leren.
Altijd een belevenis is hier het reizen met de trein, dan zie je veel
van het land en de mensen. Merk op hoe verwend je in je thuisland bent.
Hier in Roemenië kan je van alles meemaken, bijvoorbeeld dat
iemand van een alweer wegrijdende trein afspringt omdat de naam van het
station pas op het laatste moment aangegeven wordt. Of dat iemand een
parkiet op schoot krijgt en zich door de eigenaar de toekomst moet
laten voorspellen. Of men krijgt kranten aangeboden die bij nader
inzien een maand oud zijn en waar bijna alle foto’s en
artikelen
zijn uitgeknipt. Of er beginnen oudere vrouwen een gesprek zonder dat
het ze iets uitmaakt dat je ze niet begrijpt.
Er rijden hier ook zogenaamde Maxi Taxi’s, een soort
busjes.
Die zijn vaak sneller en ook duurder dan de trein. Het probleem is
alleen dat de Roemenen nogal roekeloos rijden. Ik geef daarom toch de
voorkeur aan de trein, ook al omdat er geen enkele noodzaak tot haast
is.
Onverschillig waarin je onderweg bent, het landschap is altijd
fascinerend. Je komt langs bergen en heuvels, weiden met schapen en hun
herder, kleine dorpen…Er zijn hier geen afgebakende weiden,
bij
iedere kudde is een herder die de schapen bij elkaar houdt. Daar kan ik
nog lang over mijmeren maar het is wel zo dat er in Roemenië
ook
heel wat minder mooie dingen te zien zijn. Er ligt overal afval dat
zomaar op straat gegooid is. Uit sommige fabrieksschoorstenen komt een
stinkende rook en in de stad krijg je soms hoofdpijn van de
uitlaatgassen. Zigeuners die afvalbakken doorzoeken, bedelen en soms zo
stinken dat je er onwel van wordt. Vrouwen die hun was doen in de
rivier, kinderen met zakken waaruit zij lijm snuiven. Ook dat is
Roemenië.”
Hansjürgen Engel (Goede Huis, Sibiu, 2004)

Hansjürgen
Engel werkt sinds februari 2005 met het
EIRENE-vrijwilligersprogramma voor senioren in het Goede Huis, een
instelling voor daklozen mannen in Sibiu, Roemenië. De
afgestudeerde journalist is een meester in het observeren. Door de
mannen, die zich aan de rand van de samenleving bevinden,
krijgt
hij zicht op wat werk in een Oost-Europees lage lonenland voor de
betrokkene betekent.
“Als ik in het “Goede huis” kom zit
Iztvan met een
bedrukt gezicht in de keuken. Ik zet koffie voor ons. De 42-jarige is
in het begin van de week bij een kleine onderneming in dienst gekomen.
3 Euro voor 8 uur
Het is hard werk in een bouwput. Aan het einde van de werkdag wordt hij
met 100.000 Lei afgescheept. Omgerekend drie euro voor acht uur werken
in de bouw. De dag ervoor had hij nog 120.000 Lei ontvangen. Waarom
vandaag minder dan gisteren? Een verklaring heeft Itzvan niet
gekregen. Toch probeert hij de teleurstelling te trotseren:
“Aan het eind van de week kan ik tenminste nieuwe schoenen
kopen.”
Zoals Itsvan vergaat het vele mannen die tot de sociaal zwakgemaakten
behoren. Sommige gaat het nog slechter. Zij werken een hele
week
en krijgen niets – geen vast werk en geen geld. Op deze
schandelijke wijze leven veel kleine ondernemingen van de ene opdracht
naar de andere: over de rug van vertwijfelde mensen, die in
hun
nood alles accepteren waar geld voor beloofd wordt en er dan als
gefrustreerde stomkoppen bijstaan.
Onverwachte dromen
Ik vraag Istvan of hij nog dromen heeft. Hij zegt zonder aarzeling iets
heel anders als ik had verwacht: ”Ik zou me weer met God
willen
verzoenen.” Vroeger toen hij nog jong was heeft hij in het
kerkkoor van Sibiu gezongen, bad veel en sprak met God en beleefde een
innerlijke vreugde, waardoor hij met zichzelf en de wereld tevreden
was. Toen is echter de verzoeking gekomen, alcohol en andere zaken,
vaak oppervlakkig plezier en hij heeft God verloren. Nu vraagt hij aan
mij of God hem nog wel aannemen wil en zijn ogen drukken twijfel uit.
Ik weet het antwoord niet maar probeer hem moed in te praten zo goed
als ik kan. Overigens: het is op initiatief van Istvan dat nu om 7 uur
’s morgens in het “Goede Huis” een korte
dagopening
wordt gehouden. Meer mannen dan wij gedacht nemen hier aan deel.
Een dag in de schoenenfabriek
Wanneer Hubert ’s avonds vanuit zijn werk weer in het
“Goede Huis” komt, kun je de frustratie van zijn
gezicht
aflezen. Hij heeft werk gevonden in een Italiaanse schoenenfabriek. De
eerste werkdag zit erop. Ik zet koffie voor ons en vraag hem te gaan
zitten en over zijn ervaringen iets te vertellen. Acht uur heeft hij
aan de lopende band gestaan en de gemaakte schoenen moeten strijken, zo
vertelt hij. Voor mij een amusant idee: dat schoenen gestreken moeten
worden nadat ze hun leren jas aangemeten hebben gekregen. Maar Hubert
kan er niet om lachen.
Plotseling - zo vertelt hij verder - begon een sirene luid te loeien en
alle arbeiders, waarvan de meeste vrouw zijn, zijn naar hun kluisje
gerend en hebben hun boterhammen gepakt om meteen weer terug te keren
naar hun werkplek en daar te eten. Weer klonk de sirene en de lopende
band ging weer draaien. Op deze manier moeten per dag 700 paar schoenen
gemaakt worden. Als het niet lukt, dan moet men verder werken tot het
aantal klaar is. Omdat men bang is het proces op te houden, durven de
meeste mensen niet eens naar het toilet te gaan.
“Ze
knijpen liever hun billen tegen elkaar”, zegt Hubert met
gepikeerde stem.
Voor dit strijkwerk aan de lopende band moet hij een nettoloon van 2,7
miljoen lei ontvangen, ongeveer 80 euro plus een paar inkoopbonnen.
Pikant detail bij dit
aanbod: Hubert moest een contract tekenen dat hij minstens een jaar in
de schoenenfabriek zou blijven werken, anders dreigt een geldboete van
twee maandsalarissen.
Hubert is er de volgende dag niet meer naar toe gegaan. Sinds
twee
maanden werkt hij nu bij een bouwbedrijf – voor
tweeën een
half miljoen lei, dus het minimumloon van 70 Euro. Daarbij verdient hij
geld met overuren en werken op zaterdag, dat wordt beter betaald, maar
wel zwart. Een van de twee misstanden in de Roemeense economie:
corruptie en zwart geld. Maar Hubert voelt zich goed.
Julian Gröger (Diakonia Fagaras, Fagaras, 2002)
“De kinderen konden mijn geduld soms zwaar op de proef stellen, maar vaker nog vrolijkten ze me juist op. Ze hebben weinig familie en vrienden, hun mogelijkheden zijn beperkt en toch hebben ze een lach op het gezicht. Het was voor het werken met de kinderen een groot voordeel, dat ik de taal niet kende. Zo kon ik iedere dag iets van de kinderen leren. Ze hebben natuurlijk gemerkt dat ze me helpen konden en dat gaf hun een gevoel van trots en eigenwaarde.”


