Gehandicapten in ontwikkelingslanden: dubbel benadeeld
Inleiding
Mondiaal gezien komt meer dan negentig procent van alle revalidatievoorzieningen ten goede aan gehandicapten in de rijke industrielanden, wat betekent dat nog geen 10 procent van alle voorzieningen in de wereld aan de getroffenen in ontwikkelingslanden ter beschikking staan.
Volgens gegevens van de Wereldbank (WB) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hebben van de 6 miljard mensen op de wereld 10% een handicap, waarvan 60% een ernstige handicap, d.w.z. naar schatting 360 miljoen mensen. Het merendeel van deze mensen, 70%, leeft in ontwikkelingslanden (252 miljoen). Voor kinderen ligt dit percentage nog hoger. Van de 40 miljoen ernstig gehandicapte kinderen in de wereld woont meer dan 85% in ontwikkelingslanden. Het gaat dus over naar schatting 35 miljoen kinderen en jongeren.
Oorzaken en Gevolgen
Armoede
Armoede is een belangrijke oorzaak van het feit dat er in ontwikkelingslanden in verhouding meer kinderen met een handicap zijn dan in welvarende landen. Armoede en het hebben van een handicap hangen nauw met elkaar samen. Zo kunnen vele handicaps rechtstreeks uit armoede verklaard worden. Armoede en handicaps vormen een vicieuze cirkel: armoede vergroot de kans op een handicap, een handicap vergroot de kans op armoede, en omdat de laatste jaren in veel ontwikkelingslanden een verscherping en verbreding van de armoede valt te constateren, moet ervan uitgegaan worden, dat wereldwijd het aantal mensen met een handicap verder zal toenemen.
Miljoenen arme gezinnen in Afrika, Azië en Latijns Amerika – ook in Nicaragua - wonen onder miserabele omstandigheden in krottenwijken in de steden of in afgelegen vaak veronachtzaamde plattelandsgebieden. Gebrek aan goede voeding, hygiëne en prenatale zorg verveelvoudigt de kans dat in deze gezinnen een kind met een handicap wordt geboren. Kinderen die zonder handicap worden geboren lopen een grote kans om in de jaren erna alsnog gehandicapt te worden. Verreweg de belangrijkste oorzaak hiervan is ondervoeding en gebrek aan goede gezondheidzorg.
Wereldwijd hebben 150 miljoen kinderen onvoldoende te eten of krijgen een veel te eenzijdige voeding. Ondervoede kinderen groeien niet goed, hebben minder weerstand tegen ziekten en blijven ook achter in hun verstandelijke ontwikkeling. Behalve dat kinderen uit arme gezinnen vatbaarder zijn voor ziekten, krijgen ze, als ze ziek zijn, vaak ook geen medische zorg. Van de 11 miljoen kinderen die jaarlijks vóór hun vijfde verjaardag overlijden, sterven de meeste aan behandelbare ziekten zoals mazelen, malaria en diarree. Kinderen die deze of andere ziekten, zoals hersenvliesontsteking, tuberculose of polio wél overleven, houden aan hun ziekte dikwijls een handicap over.
Onderwijs
Dat kinderen en jongeren met een handicap niet worden behandeld en niet kunnen revalideren betekent meestal ook dat ze niet in de gelegenheid zijn om onderwijs te volgen. Van alle kinderen met een handicap in ontwikkelingslanden gaat nog geen 2% naar school (volgens UNESCO rapport). Zonder hulp van buitenaf blijft het merendeel van hen verstoken van revalidatie en onderwijs. Het is dan ook vrijwel ondenkbaar dat een kind met een handicap in een ontwikkelingsland als Nicaragua zonder hulp ooit aan de armoede zal ontsnappen.
Religie en Cultuur
Behalve economische omstandigheden zijn ook religie en cultuur bepalend voor de kansen van kinderen met een handicap. In veel ontwikkelingslanden – ook in Nicaragua - wordt een kind met een handicap nog gezien als een vloek of een straf van god. Dit kan ertoe leiden dat het kind én de ouders door hun omgeving worden gestigmatiseerd en gemarginaliseerd. Met name de moeders wordt door de samenleving de schuld gegeven van de handicap. Het isolement van het kind is vrijwel compleet en de kans dat het zich evenwichtig zal ontwikkelen minimaal.
In sommige religies wordt een kind met een handicap gezien als een opgave van hogerhand, die zijn ouders moeten aanvaarden. Ook deze opvatting kan de ontwikkeling van het kind blokkeren. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een kind met een handicap overmatig wordt beschermd. In deze situatie kan een kind zich evenmin ontwikkelen en met “vallen en opstaan” zijn eigen kracht ontdekken. Tenslotte kan het zijn dat voor het verlenen van hulp onderscheid gemaakt wordt op grond van geloof, ras of geslacht: jongens zijn vaak belangrijker dan meisjes en dikwijls staat het ene geloof of ras in hoger aanzien dan het andere.
Geweldsconflicten en landmijnen
Vele lichamelijke en psychische gebreken hebben ook te maken met of zijn het gevolg van gewelddadige conflicten, van burgeroorlogen of oorlog. Alleen al door landmijnen worden wereldwijd volgens de Verenigde Naties jaarlijks 10.000 mensen gedood, en overleven meer dan 20.000 mensen een dergelijk ongeluk, maar dan wel verminkt en getraumatiseerd. Ook kinderen kunnen het slachtoffer worden van oorlogsgeweld en landmijnen.
In Nicaragua heeft in de jaren 80 een oorlog gewoed tussen het Sandinistische regeringsleger en door de Verenigde Staten gesteunde opstandelingen, de zogenaamde “contra’s”. Gedurende deze oorlog werden er door de partijen duizenden landmijnen gelegd met name in de gebieden langs de grens met Honduras. Hoewel na het beëindigen van de strijd in 1990 met het opruimen van deze mijnen werd begonnen, zijn er nog uitgebreide gebieden, waar nog duizenden landmijnen op scherp liggen. Zelfs jaren na het einde van de oorlog worden er nog steeds ongelukken gemeld, waarbij werkende boeren en spelende kinderen op nog niet geruimde landmijnen stappen en daardoor overlijden of verminkt raken.
Pesticiden
Het ongecontroleerde gebruik van pesticiden in de landbouw draagt ertoe bij, ook in Nicaragua, in het bijzonder bij de katoenproductie, dat het aantal kinderen dat met misvormingen ter wereld komt, toeneemt.
Hulpprogramma’s voor gehandicapten
Niet alleen zou een goede preventieve gezondheidszorg die voor iedereen toegankelijk is veel handicaps kunnen voorkomen, een groot deel van de handicaps kan door behandeling worden verholpen of door revalidatie aanzienlijk worden verlicht. Maar armoede belemmert ook deze mogelijkheden. Het merendeel van de kinderen met een handicap in ontwikkelingslanden blijft verstoken van zelfs de meest elementaire vorm van revalidatie. Ouders hebben er de middelen niet voor of durven niet te vertrouwen in de mogelijkheden van hun gehandicapte kind.
Daarbij komt dat in het beleid voor ontwikkelingssamenwerking gehandicapten veelal een gemarginaliseerde groep vormen. Er worden wel gezondheids- en revalidatieprogramma's alsook liefdadigheidsprojecten opgezet, maar projecten die de zelfhulp van gehandicapten als uitgangspunt nemen, zijn duidelijk een uitzondering. Voor alle andere ondersteuningsprogramma's schijnen mensen met bijzondere behoeften in het geheel niet te bestaan. Zo wordt de mogelijkheid tot integratie van gehandicapten onbenut gelaten en hun marginalisering verscherpt.
Een bijzonder probleem is ook dat de richtlijnen van overheden en internationale geldschieters uitgaan van projecten die in een relatief kort tijdsbestek afgerond kunnen worden. Echter juist projecten voor gehandicapten zijn in de praktijk ook op de middellange en langere termijn op ondersteuning aangewezen.


